Eline's kunstblog
Eline Vulsma over kunst en meer
Kröller-Müller museum
Categories: museum

 

Mijn laatste bezoek aan het Kröller-Müllermuseum in Otterlo was al weer een jaar of 15 geleden. Hoog tijd dus om weer eens terug te gaan. Ik kon me er niet meer zo heel veel van herinneren; wellicht dat de witte fietsen en de bossen destijds meer indruk maakten. Nu kwam er geen witte fiets aan te pas en ging alle tijd naar het museum. En dat was nodig ook, want er is veel te zien. Te veel voor deze blog, dus ik kies een paar hoogte- en dieptepunten voor u uit.

 

Eén van de belangrijkste kunstenaars uit de collectie van Kröller-Müller is Vincent van Gogh. Het mooie van het werk van Van Gogh vind ik de kleuren en vooral de beweging die erin lijkt te zitten.

De schilderijen van Gilbert en George bieden een enorme hoeveelheid groen. De zaal is bijna omgetoverd tot een stukje ‘buiten’. Vooraf was ik vooral naar deze schilderijen heel benieuwd.

De twee nette Engelse heren die afsteken tegen het groene landschap maken de schilderijen bijzonder. Wat ik een beetje jammer vond was de ‘platheid’ van de schilderstijl. Ik zal dat met een detail laten zien:

Hoewel het totaaleffect van met name de grote doeken best goed is, is het niet echt ‘mooi’ geschilderd. Met wat meer liefde voor het detail had het er minder saai uitgezien, want de natuur is in het echt allesbehalve saai. Maar aan de andere kant is het misschien wel de interpretatie van beide heren, zij ervaren het vele groen als saai. De begeleidende tekst suggereert dat ook: ‘Met de zes triptieken van The Paintings (with us in the nature) schilderen Gilbert & George in 1971 een impressie van hun gevoelens tijdens een zomer in het Engelse landschap. (….)  The Paintings zijn multi-interpretabel: de natuur is overweldigend, maar ook saai, de kunstenaars reflecteren, maar zijn ook leeg, de natuur lijkt ongerept, maar is door mensenhand gemaakt.’

 

Er waren nog veel meer schilderijen te zien, dus ik had een goede dag ;-)

 

Bij De Appel zag ik vorige week een schilderij van James Ensor, hier hing er nog één: La vengeance de Hop-Frog (ca. 1896). Het schilderij is gebaseerd op een verhaal van Edgar Allan Poe.

 

Ik zou het geen mooie schilderijen willen noemen, wel erg herkenbaar qua stijl.

 

Picasso: Guitare (1919).

 

Mondriaan: Compositie met raster 6: ruit, compositie met kleuren (1919).

 

Helaas kan ik er niet helemaal omheen: ook Kröller-Müller doet aan conceptueel. Dan krijg je dit soort ‘juweeltjes’:

 

Herman de Vries, this (2007)

‘Ceci n’est pas une pipe’, dat is een ding wat zeker is, maar waarom is ‘this’ kunst?

 

Ian Hamilton Finlay, Windflower (1975).

Waarom is neonverlichting met het woord ‘pizza’ boven een pizzeria geen kunst en dit wel?

Er was een hele zaal ingericht met namaaktijgers die door pijlen doorboord waren. De vriendelijke suppoost vertelde ons dat de tijgers van geitenvacht gemaakt waren. Gelukkig maar. Hoewel ik ook op zich mooi gemaakte en spectaculair ogende tijger-rekwisieten niet als beeldende kunst beschouw, was ik toch benieuwd of er dit keer wellicht een originele gedachte achter schuilging. Iets waardoor ik het toch ineens als kunst ging beschouwen. Af en toe doe ik echt mijn best om niet alle conceptuele onzin in één keer plat te maaien, eerlijk waar. Maar eh…het was weer tevergeefs. De begeleidende tekst begon nog begrijpelijk:

 

Cai Guo-Qiang: ‘Het creatieve idee achter Inopportune: Stage Two is gebaseerd op Wu Song, een held uit de klassieke Chinese literatuur uit de twaalfde eeuw die met zijn blote handen een mensenetende tijger zou hebben gedood om het leven van zijn dorpsgenoten te redden. Hier zijn negen levensgrote replica’s van tijgers te zien die worden aangevallen door onzichtbare boogschutters en kronkelend van pijn door de lucht vliegen. De installatie heeft een theatraal aandoend ontwerp met realistische tijgers die in een denkbeeldig tafereel zijn geplaatst, waardoor de toeschouwer het gevoel krijgt zich midden in een tragedie te bevinden, een benadering waarmee ik mijn theaterachtergrond verraad.’

Met die rekwisieten zat ik dus aardig in de richting.

Deel 2 begint ook nog begrijpelijk:

 

‘In Wu Songs tijd was het doden van wilde, mensenetende tijgers een heldendaad, die uitdrukking gaf aan de macht van de mens en zijn verlangen te zegevieren over de natuur. Met onze huidige wapens is het doden van welk dier dan ook een koud kunstje.’

 

Maar dan valt er geen touw meer aan vast te knopen:

 

‘Met dit werk wil ik laten zien dat de biologische en psychologische conflicten waarmee de mens geconfronteerd wordt in sterke mate bepaald worden door hun context, door tijd en plaats. Sinds 9/11 gebruiken kunstenaars wilde dieren als symbool voor de menselijke natuur en als verwijzing naar gewelddadige aanslagen op moderne beschavingen, naar individueel verzet tegen verschillende beoordelingsnormen, en de voortdurende veranderingen die overal ter wereld worden doorgevoerd, ook met betrekking tot heldendom en het voortdurende verraad aan de geschiedenis door opeenvolgende generaties.’

 

Het stond er echt, ik verzin dit niet. Mijn lerares Latijn had een prachtige zin klaar voor dit soort constructies: “Een lantaarnpaal is ook van ijzer.”

 

Gelukkig waren er nog beelden, zowel binnen als buiten.

 

Een mooi abstract beeld ‘man met gitaar’ van Jacques Lipchitz (ca. 1920).

Beeld van Rodin, Femme accroupie (1882).

 

Een bijzondere constructie van Jean Dubuffet, Jardin d’émail (1974). Een ommuurde ‘tuin’ van beton, een soort buitenaards landschap waar je alleen binnenkomt via een smal trappetje dat uitkomt op een deurtje in de ‘boom’.

En tussen de bosjes kwam ik nog werk tegen van Jan Fabre: deze heet Hoofdstuk IX (2010). Er stonden nog meer ‘hoofdstukken’ waarin Fabre zijn eigen hoofd heeft versierd met allerlei hoorns.

Al met al heb ik een heleboel prachtige en intrigerende kunst gezien. Sinds dit jaar is de museumkaart hier ook geldig; toegang tot het park zelf is apart en kost € 8,20.

 

Meer informatie: www.kmm.nl


Leave a Reply