Eline's kunstblog
Eline Vulsma over kunst en meer
Stedelijk (1)
Categories: museum

 

Een aantal weken geleden bezocht ik het vernieuwde Stedelijk Museum in Amsterdam. Ik was vooral nieuwsgierig naar het gebouw. Van de kunst verwachtte ik niet veel, gezien de gure conceptuele wind die er al decennia lang waait. De naakte keizer is oppermachtig en dat bleek ook wel tijdens mijn bezoek. Aangezien er toch ook echte kunst te bewonderen is in het Stedelijk, deel ik mijn verslag op in tweeën. Deze week  neem ik u mee langs alle rotzooi en ellende die voor kunst moet doorgaan. Volgende week kom ik op adem met een verslag van Realisme13. En de week erna volgt deel twee over het Stedelijk, met de echte kunst en wat foto’s van het gebouw.

 

De openingstentoonstelling is een overzicht van het werk van Mike Kelley. Zijn werk bestaat uit een allegaartje van conceptuele troep en slechte tekeningen. Uiteraard is dat niet de manier waarop het Stedelijk hem presenteert. Ik citeer: ‘Mike Kelley (1954-2012) wordt algemeen beschouwd als één van de meest invloedrijke kunstenaars van onze tijd. Hij schiep een oeuvre van uiterst innovatieve werken die niet alleen de Amerikaanse populaire cultuur afgrazen, maar ook de modernistische en alternatieve tradities – die hij verbindt met genadeloos zelfonderzoek en maatschappelijke verkenningen, even duister als hallucinant.’

Nou daar gaan we dan, een kleine selectie, houd u vast!

 

Lumpenprole (1991)

Het tapijt is een heus genre aan het worden in het Conceptuele. Denk aan het Pindakaastapijt van Wim T. Schippers, het tapijt van porseleinen zonnebloempitten van Ai Weiwei en ik vernam onlangs van een stuifmeeltapijt in wording in het MoMA in New York.

Dit tapijt wordt begeleid door de volgende tekst: ‘In Lumpenprole liggen verschillende kleine voorwerpen onder een grote gebreide deken, welke ligt uitgespreid op de vloer van de expositieruimte. Opvallend zijn de uitstulpingen in het gladde oppervlak van de deken: de voorwerpen zijn wel bedekt, maar niet echt verstopt.’

Ja, so what? Dit is een nietszeggende beschrijving van wat je zelf al ziet. Maar de tekst gaat verder:

‘Het bijbehorende werk op de muur, Ageistprop (1991), getuigt opnieuw van Kelley’s belangstelling voor smakeloze grappen en schuine moppen. Beide werken gaan in op het concept lumpenprole ofwel lompenproletariaat: de allerarmste arbeidersklasse die tegen elke vorm van maatschappelijke verandering is.’

Dit is het Conceptuele ten voeten uit. Iets wat geen kunst is voorzien van een tekst die geen duidelijkheid geeft maar wel de pretentie uitstraalt zich met belangwekkende onderwerpen bezig te houden.

 

Een ander genre is blijkbaar het bed, al of niet (T. Emin) opgemaakt. Dit is nog best een net bed, maar wat doet het in een museum? Heeft de naakte keizer er soms persoonlijk in geslapen? Met die beestjes heeft Kelley ook nog een heel wandtapijt gemaakt: ‘More love hours than can ever be repaid’. Misschien goed tegen de tocht en leuk voor de kleine, maar wat doet het in een museum?

 

 

Nog een conceptueel genre: de geluidsinstallatie. Het Van Abbemuseum heeft een zingende lift, welnu het Stedelijk heeft een gillende roltrap. Voorzien van geluidsfragmenten door dezelfde Kelley. Het wachten is nog op rochelende bagagekluisjes en jodelende toiletten, maar vreest niet, die komen er vast.

 

 

Als conceptueeltjes dan toch een poging doen om echte kunst te maken, is het meestal niet veel soeps. Geldt ook voor meneer Kelley. Of je nou een tekening neemt van ‘m:

 

 

Of een serie schilderijen:

 

 

Het is compleet waardeloos. Het prietpraatverhaal dat erbij hoort bespaar ik u.

 

Ik liep met kromme tenen verder naar de vaste collectie van het Stedelijk. Ik viel met mijn neus in de conceptuele boter. Sommige delen van het museum doen denken aan een wat ruim opgezet depot van Bureau Gevonden Voorwerpen. Ik zal mijn gemeentecollega’s moeten waarschuwen dat ze voorzichtig zijn met alle rollators, motorhelmen en wat dies meer zij; het is kunst in wording. Alleen het onnavolgbare verhaal ontbreekt nog. Misschien een ideetje voor de eerstkomende veiling van de gevonden voorwerpen; levert het tenminste meer op dan wat de Waterlooplein marktlui ervoor bieden. :-D

 

Misschien gelooft u me niet, maar hier zijn er een paar:

Looprekjes van Cady Noland: ‘Strapped to a Narrative’ (1988). Het Stedelijk wijst er met nadruk op dat de looprekjes en stangen zorgvuldig en met opzet zo zijn neergelegd. ( ‘… zeer precies gearrangeerde compositie…’) Daar voelde ook al iemand nattigheid. Waarom is dit kunst?

 

Prullebakken en lavalampen van Haim Steinbach: ’00:02 (2,4S)’. Gelukkig zit er een plank bij, is het gelijk netjes opgeborgen. Al die troep die over de grond slingert, dat trekt maar stofnesten aan. Als je de bijbehorende tekst leest springen de tranen je in de ogen, weer een conceptueel tekstueel hoogstandje:

‘Dit werk is verwant aan de vroeg 20ste- eeuwse readymades van de Franse kunstenaar Marcel Duchamp. Steinbach gaat echter een stap verder. Hij vestigt de aandacht op de onderlinge relaties tussen de objecten – op de formele, historische, culturele, sociale en associatieve betekenissen, die ze in een gezamenlijke presentatie oproepen. Zo onderzoekt hij de conventies van het presenteren zoals we die kennen van culturele opstellingen in wetenschappelijke etnografische musea, verleidelijke, commerciële uitstallingen in winkels, en bij mensen thuis. Steinbach noemt deze werkwijze ‘an anthropology of the every day.’ ‘

Hoe maak ik van een drol een chocoladepudding? Nou, met een dergelijke woordenbrij dus!

 

Nu twee objecten die wat mij betreft op het grensvlak van kunst en decoratie liggen: een beeld en een schilderij.

Het beeld is van Jeff Koons en heet ‘Ushering in Banality’ (1988). Banaliteit is ‘s mans specialiteit, dus je zou het representatief kunnen noemen voor zijn werk. Zijn werk? Het beeld is weliswaar bedacht door Koons, maar vervaardigd door houtsnijder Fransz Wieser. Het beeld is ‘een opgeblazen variant van de populaire ‘hummels’, porseleinfiguurtjes van de Franciscaner zuster Maria Innocentia Hummel die in de jaren 30 fabrieksmatig werden geproduceerd.’ Met superkitsch op een museaal voetstuk zette Koons ‘zich af tegen de in zijn ogen ‘intellectuele’ kunstvormen als het minimalisme en conceptualisme, waarvan de werken door het grote publiek zelden begrepen en gewaardeerd werden.’

Dat op zich vind ik wel sympathiek, zij het dat ik conceptualisme niet beschouw als kunst maar als bedrog.

 

Dan een zaalvullende muurschildering van Sol Lewitt: ‘Wall Drawing #1084′(2003). Het is weliswaar met echte verf gemaakt, maar toch twee ‘maren’ van mijn kant. Ten eerste is het geheel uitgevoerd door assistenten. Die worden ook met naam genoemd, is wel netjes. Ten tweede is dit gewoon een decoratief gekleurde muur zonder enige diepte of diepgang. Praxis kunst. Net als de stippen schilderijen van de bekende Damien H. uit E. (Evenmin zelf vervaardigd.)

En jaaaaaaa, er moet natuurlijk ook nog een neonreclame tussen zitten. Anders is je conceptuele collectie niet compleet. Ik zou persoonlijk een deal maken met de plaatselijke pizzeria, voor 200 euro wil die vast wel zijn gevelwoord ‘pizza’ afstaan. Maar neeeeeeeee het moet echte kunst lijken, dus laat je ene meneer bbbbrrrrrrruuuuucccceeee Nauman iets leveren. Die noemt dat dan ‘My Name as Though It Were Written on the Surface of the Moon’ (1968).  Ach, de maan. Wat een aanlokkelijk perspectief: al die troep in een raket naar de maan sturen.

 


1 Comment to “Stedelijk (1)”

  1. Matthias zegt:

    Omdat ik sindskort zelf weer blog en vooral over kunst zocht ik naar ‘kunst blog’ en kwam ik als eerste jouw site tegen. Leuk om te lezen, vooral omdat ik juist wel fan ben van conceptuele kunst… Ik heb een link geplaatst naar stukje over Sol Lewitt.